Navigeren – Plan van de website

HomeNuméros38Een Ecce Homo uit het atelier van...

Een Ecce Homo uit het atelier van Albrecht Bouts in de collectie van Musea Brugge

Laetitia Golenvaux, Véronique Geniets en Marijn Everaarts
p. 20-35

Samenvattingen

In 2021 kon Musea Brugge via een legaat een Ecce Homo toegeschreven aan het atelier van Albrecht Bouts aan de collectie toevoegen. Dit schilderij behoort tot de devotionele werken die in serieproductie gemaakt werden in het atelier van Bouts, meer specifiek tot de zeer populaire afbeeldingen van Christus met de doornenkroon. Zoals aangetoond door Valentine Henderiks, zijn in deze categorie verschillende prototypes te herkennen uitgevoerd door Albrecht Bouts en elk meermaals gekopieerd. Het paneel in de collectie van Musea Brugge vertoont de meeste overeenkomsten met een Ecce Homo uit de collectie van het Suermondt-Ludwig-Museum in Aken, en binnen deze groep werken is het het meest verwant met een versie uit Humbeek. Het Brugse werk is gerestaureerd, wat nodig was vanwege talrijke verkleurde overschilderingen, vergeelde vernislagen, resten oude lijm en ophopingen van vuil, alsook conservatieproblemen. Tegelijk is het technisch onderzocht. De resultaten daarvan worden hier gedeeld en naast eerdere observaties en bevindingen gelegd.

Hoofding

Integrale tekst

Inleiding

  • 1 Valentine Henderiks besprak het paneel in haar uitgebreide studie over Albrecht Bouts in 2011. Eerd (...)

1In 2021 verwierf Musea Brugge via een legaat een Ecce Homo toegeschreven aan het atelier van Albrecht Bouts [afb. 1]. Deze zeer waardevolle schenking versterkte de collectie Vlaamse Primitieven op het gebied van vijftiende-en vroegzestiende-eeuwse kunstenaars die actief waren buiten Brugge. Op technisch vlak was het werk nog niet of nauwelijks in detail onderzocht.1 Aanleiding om het schilderij meteen te restaureren en technisch te onderzoeken toen het in de collectie van Musea Brugge aankwam, was de tentoonstelling ‘Oog in oog met de Dood. Hugo van der Goes, oude meesters, nieuwe blikken’ (28 oktober 2022-5 februari 2023, Sint-Janshospitaal, Musea Brugge), waar het voor het eerst in een museale context aan het publiek werd gepresenteerd.

[Afb. 1]

[Afb. 1]

Atelier van Albrecht Bouts, Ecce Homo, ca. 1500-1525, olieverf op paneel, 48 × 33,3 cm (Brugge, Musea Brugge, inv. 2022.GRO0001.I-BL). Na behandeling.

© Laetitia Golenvaux.

  • 2 Mondelinge mededeling door pater Ghislain De Jaeger, najaar 2013.

2De laatste eigenaar van het paneel was pater Ghislain De Jaeger (1925-2021). Zijn vader, Antoine De Jaeger (1889-1972), was als oogarts verbonden aan het Brugse Sint-Janshospitaal. Hij was amateurschilder en legde zelf ook een interessante verzameling aan. Dr. De Jaeger was tevens van 1959 tot 1972 voorzitter van de Vrienden van de Stedelijke Musea in Brugge en droeg bij aan tal van aanwinsten voor Musea Brugge. Vanwege de thematiek van het werk schonk hij het aan zijn zoon Ghislain, die voor een religieus leven had gekozen.2 Daardoor bevond het paneel zich lange tijd in het voormalige noviciaat van de witte paters van Afrika in Varsenare (vandaag een rusthuis), waar het jaarlijks op Goede Vrijdag dienstdeed in de liturgie. In 2013 besliste pater De Jaeger om de Ecco Homo ter nagedachtenis van zijn vader na te laten aan de Koning Boudewijnstichting, met als doel het schilderij permanent onder te brengen in het Groeningemuseum. In 2021 overleed pater De Jaeger en werd het schilderij overgedragen aan Musea Brugge.

3Het paneel toont Christus, met op het hoofd de doornenkroon, tegen een gouden achtergrond. Hij is gekleed in een rode mantel en houdt een rietstengel vast. Zijn handen, aan elkaar gebonden met een touw, zijn gekruist voor zijn borst geplaatst.

4Het schilderij bevond zich lange tijd in de gemeenschap van de witte paters, waardoor het niet zichtbaar was voor het publiek. Toen het aan de Musea geschonken werd, was het paneel in een matige staat van bewaring, wat een juiste bestudering en waardering van het werk bemoeilijkte. Talrijke verkleurde overschilderingen, vergeelde vernislagen, resten oude lijm en ophopingen van vuil aan de randen verborgen het originele schilderij [afb. 2]. Sommige details waren niet zichtbaar, zoals de rode hoogsels op de mantel en de nuances in de doornenkroon. Het rijke coloriet was versluierd, de volledige schildering afgevlakt en de diepte van de voorstelling verloren. Het geheel was bovendien in een moderne bekisting gevat, die het werk weliswaar goed beschermde, maar de achterzijde aan het oog onttrok. Daardoor was het kunstwerk moeilijk te bestuderen en te waarderen. Tijdens de behandeling kwam de vroeger onderschatte, en dus weinig onderzochte kwaliteit aan het licht, waardoor het beter vergeleken kan worden met andere Ecce Homo-schilderijen uit het atelier van Albrecht Bouts.

[Afb. 2]

[Afb. 2]

Atelier van Albrecht Bouts, Ecce Homo, ca. 1500-1525, olieverf op paneel, 48 × 33,3 cm (Brugge, Musea Brugge, inv. 2022.GRO0001.I-BL). Voor behandeling.

© Laetitia Golenvaux.

5In dit artikel schetsen we eerst de plaats van de Ecce Homo van Musea Brugge binnen het œuvre van Albrecht Bouts en zijn atelier. Vervolgens wordt in detail ingegaan op de behandeling en de resultaten van het technisch onderzoek dat erop is uitgevoerd.

Albrecht Bouts en zijn atelier

  • 3 Périer-D’Ieteren 2005, p. 23-24, 178; Henderiks 2011, p. 13.
  • 4 Henderiks 2011, p. 13.
  • 5 Ibidem, p. 13; Périer-D’Ieteren 2005, p. 178.
  • 6 Henderiks 2011, p. 45-71.

6Het paneel uit de collectie van Musea Brugge wordt toegeschreven aan het atelier van Albrecht Bouts. Albrecht was de zoon van de Leuvense schilder Dieric Bouts (ca. 1410-1475) en kreeg van hem zijn eerste opleiding in het schildersvak, samen met zijn oudere broer Dieric Bouts de Jongere (ca. 1448-1491). Na de dood van hun vader maakte Albrecht zijn opleiding mogelijk af bij Hugo van der Goes (ca. 1440-1482/1483). Dieric de Jongere en Albrecht zetten vervolgens het succesvolle atelier van hun vader voort en waarborgden zo zijn artistieke erfenis.3 De stijl van Dieric Bouts de Oudere werd veelvuldig en wijdverspreid nagebootst, wat identificatie van verschillende medewerkers uit het atelier moeilijk maakt.4 Aan Dieric Bouts de Jongere kunnen geen werken met zekerheid worden toegeschreven.5 Het œuvre van Albrecht kan beter in kaart worden gebracht, met als centraal werk de Triptiek met de Tenhemelopneming van Maria, bewaard in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van Belgie in Brussel (inv. 574).6

  • 7 Voor een uitgebreid overzicht en een diepgaande bespreking van de serieproductie van de private dev(...)
  • 8 Ibidem, p. 216, 221, 235.
  • 9 Ibidem, p. 209.
  • 10 Ibidem, p. 209.

7Na de dood van zijn broer zette Albrecht het atelier met zijn vele medewerkers alleen voort. Samen met hen was hij zeer productief in het in serie vervaardigen van schilderijen bedoeld voor private devotie rond verschillende thema’s, zoals voorstellingen van de Madonna met Kind, het afgehakte hoofd van Johannes de Doper op een schaal, en verschillende typen portretten van Christus.7 Sommige van die voorstellingen kunnen worden herleid tot toen nog steeds populaire composities van zijn vader, zoals een vernieuwend type Christus met doornenkroon gecombineerd met een Mater dolorosa.8 Daarnaast bewerkte Albrecht een aantal motieven en bracht hij nieuwe inventies op de markt om aan de stijgende vraag naar dit soort beelden voor privédevotie te kunnen voldoen.9 De werken geproduceerd in serie in het atelier en bedoeld voor privédevotie nemen binnen het œuvre van Albrecht Bouts een aanzienlijke plaats in.10

  • 11 Ibidem, p. 238-239. Zie p. 240-289 voor een uitgebreide bespreking van elk van de prototypen.
  • 12 Een vijfde compositie volgens Henderiks is er een van Christus die de stigmata toont, met het hoofd(...)

8Valentine Henderiks heeft in haar uitgebreide studie van Albrecht Bouts vier eigenhandige prototypen van het motief met Christus met doornenkroon onderscheiden, die elk meermaals gekopieerd werden.11 Het eerste van deze vier prototypen is Christus met doornenkroon uit het Musée des Beaux-Arts in Dijon. Het toont een buste van Christus met het hoofd iets naar rechts gebogen. Het tweede type betreft het middenpaneel van een triptiek dat in 1995 door Sotheby’s werd verkocht en waarop Christus het hoofd iets naar links buigt, de wonden op zijn handen toont en tegelijk een zegenend gebaar maakt. Het derde is een Ecce Homo uit het Suermondt-Ludwig-Museum in Aken: Christus, met de handen bij elkaar gebonden, houdt een rietstengel vast. Tot slot is er nog een paneel in Kansas City, het model voor een reeks tondo’s met het gezicht van Christus frontaal afgebeeld.12

  • 13 Hand, Metzger en Spronk 2006, p. 40-49, 279-280, 309; Henderiks 2011, p. 270, 276-277; Van den Brin (...)

9Het derde prototype, het werk uit Aken [afb. 3], vertoont de meeste overeenkomsten met de Ecce Homo uit het legaat van pater De Jaeger. Christus is hier op een vergelijkbare wijze afgebeeld, met de gebonden handen en de rietstok. Dit type voorstelling van Christus stemt overeen met het moment uit de Passie volgens de gecombineerde beschrijvingen in de evangelies van Johannes (19:1-5), Mattheus (27:27-31) en Marcus (15:16-20). Na zijn arrestatie wordt Christus aan het volk getoond door Pontius Pilatus, die daarbij de woorden spreekt: 'Zie, de mens!’ (‘Ecce Homo’). Christus draagt een paars kleed en een kroon waarvan de doornen door zijn huid dringen. Tranen en bloeddruppels lopen over zijn gezicht. Zijn handen zijn samengebonden en hij houdt een rietstengel vast, als spotscepter of verwijzend naar zijn geseling. Het Akense werk wordt als eigenhandig beschouwd vanwege de schilderkwaliteit, die de Tenhemelopneming van Maria uit Brussel benadert, maar ook door de vrije en uitgebreide ondertekening, die een originele creatie suggereert.13

[Afb. 3]

[Afb. 3]

Albrecht Bouts, Ecce Homo, ca. 1500, olieverf op paneel, 45,5 × 31,2 cm (Aken, Suermondt-Ludwig-Museum, inv. GK 57). De Ecce Homo vormt, samen met een Mater dolorosa, nu het middendeel van een triptiek waarvan de zijluiken op een later moment zijn toegevoegd.

© Anne Gold, Aken.

  • 14 Henderiks 2011, p. 270-284, met name 270.
  • 15 Van den Brink et al. 2016, p. 116-117.
  • 16 Henderiks 2009, p. 169; Henderiks 2011, p. 270. De vergelijking van de Brugse Ecce Homo met de ande (...)

10Henderiks maakte een lijst op van een aantal versies die zouden zijn afgeleid van het Akense prototype.14 Daartoe hoort om te beginnen een schilderij in de kerk van Onze-Lieve-Vrouw ter Kameren in Elsene, dat net als dat uit Aken vanwege de hoge kwaliteit wordt gezien als een eigenhandig werk van Albrecht Bouts.15 De andere exemplaren zijn kopieen van zijn ateliermedewerkers of van navolgers. Naast de hier besproken versie uit de collectie van Musea Brugge zijn dat: een exemplaar dat in 1961 verkocht werd bij kunsthandel P. de Boer in Amsterdam; een paneel uit de verzameling van een zekere pater Lunden in Humbeek; een paneel waarvan de verblijfplaats nu onbekend is; een exemplaar dat in mei 1971 verkocht werd in het Palais Galliera in Parijs; en een werk in een Belgische privécollectie. De laatste twee worden later gedateerd, de andere in het eerste kwart van de zestiende eeuw.16

11Alle versies zijn ongeveer even groot en hebben – met uitzondering van twee – een afgeronde bovenzijde. Bij het werk uit de collectie van Musea Brugge zijn het paneel en de lijst uit één stuk hout vervaardigd, net als bij de versies van Aken en Humbeek. Alle versies hebben een vergulde achtergrond met variaties in de versiering – drie exemplaren hebben een effen achtergrond.

  • 17 Henderiks 2009; Rosier 2009.
  • 18 Henderiks 2009, p. 172.

12Binnen deze groep werken gelinkt aan het Akense paneel vertoont de Ecce Homo van Musea Brugge de meeste overeenkomsten met de versie uit de verzameling van pater Lunden uit Humbeek [afb. 4].17 De afmetingen van beide werken zijn bijna identiek, en iets groter dan de andere versies. De compositie is ook ietwat uitgebreider. De linkerhand van Christus leunt niet op de lijst, en er is een groter deel te zien van de rechter mouw van zijn gewaad waar zijn hand op steunt. Het touw is langer en lijkt losser te zijn geknoopt dan bij de andere versies. Ook de manier waarop de doornenkroon is opgebouwd, is opmerkelijk gelijkend. Alleen bij de versies van Humbeek en Musea Brugge is in het bovenste gedeelte een lange dunne rank te zien, die achter een dikkere rank doorloopt ter hoogte van de scheiding in het haar. Ook de doorn die onder Christus’ rechter wenkbrauw weer uit de huid priemt, is alleen in deze versies te vinden; bij de andere versies zien we enkel dat de doorn bij de haarlijn onder de huid verdwijnt. Henderiks suggereert dat dit mogelijk betekent dat beide versies door dezelfde schilder uit het atelier zijn vervaardigd en dat die deze toevoegingen heeft aangebracht, of dat beide versies teruggaan op een gezamenlijk model dat zelf weer gebaseerd is op het Akense prototype.18 Een andere mogelijkheid is dat een van deze twee versies diende als model voor de andere. De eerste suggestie is minder waarschijnlijk gezien de verschillen in uitvoeringstechniek tussen de twee versies. De andere twee suggesties lijken meer waarschijnlijk. Daarbij moeten wel de verschillen in acht worden genomen: de Humbeekse versie is eenvoudiger van uitvoering dan de Brugse, wat bijvoorbeeld te zien is in de bloeddruppels, de tranen en de achtergrond. We komen hier verderop op terug.

[Afb. 4]

[Afb. 4]

Atelier van Albrecht Bouts, Ecce Homo, ca. 1500-1525, olieverf op paneel, 48,8 × 33,9 cm (Humbeek, verzameling Lunden).

© Brussel, KIK, Y006708.

Restauratie en onderzoek

13De sterk vergeelde vernislagen en uitgebreide overschilderingen in de Ecce Homo van Musea Brugge maakten het bijna onmogelijk om de staat van bewaring van de originele verflagen in te schatten. Daarbij vertoonde het werk ook conservatieproblemen. Door de aanwezigheid van mogelijke opstuwingen van de verflaag, vermolming van de houten drager en meerdere barsten was een ingreep noodzakelijk. Daarbij leverde het proces van de restauratie belangrijke inzichten op, die vergelijking met andere versies mogelijk maakte.

Lijst en drager

  • 19 Rosier 2009, p. 173.

14De drager en de lijst van de Brugse Ecco Homo bestaan uit één enkele houten plank. Deze originele structuur is door de eeuwen heen niet aangepast of bijgewerkt, hetgeen voor een zestiende-eeuws schilderij vrij uitzonderlijk is. De bovenzijde is afgerond, zoals bij veel exemplaren van hetzelfde type. De afmetingen (48 × 33,3 cm) zijn bijna gelijk aan die van de Humbeekse Christus (48,8 × 33,9 cm). De dikte van het paneel varieert in de breedterichting. De boomstronk waaruit het paneel gevormd is, werd in de lengterichting met wiggen gespleten, waardoor de plank licht conisch is. Ze werd in het atelier geegaliseerd, zoals blijkt uit de schaafsporen die duidelijk zichtbaar zijn op de achterzijde van het paneel. Het paneel van de Brugse versie is links dikker dan rechts, bij de Humbeekse versie is het net andersom.19

  • 20 Henderiks 2011, p. 218.
  • 21 Rosier 2009, p. 173.
  • 22 Henderiks 2011, p. 268.
  • 23 Rosier 2009, p. 173.
  • 24 Henderiks 2011, p. 218.

15De studie van de drager met lijst vóór behandeling leerde ons dat het werk aan de randen geen sporen van scharnieren vertoont. Dat wijst erop dat het paneel oorspronkelijk geen deel uitmaakte van een diptiek of een triptiek, noch dat dat op enig ander moment in zijn geschiedenis ooit zo geweest is. Het sluit echter niet uit dat het hoorde bij een verloren gegane pendant met een Mater dolorosa. Pendanten staan fysiek los van elkaar, in tegenstelling tot diptieken.20 Opmerkelijk is dat op de lijst van de Humbeekse versie aan de rechterzijde wel sporen van scharnieren zijn gevonden.21 Een andere interessante vondst is de aanwezigheid van bevestigingsgaten bovenaan, hoewel het moeilijk is vast te stellen of die origineel zijn. Soortgelijke gaten werden aangetroffen op de versies van Aken22 en Humbeek.23 De achterzijde van het kunstwerk is bedekt met een zwarte laag en vertoont geen enkel spoor van beschildering. Dit versterkt de veronderstelling dat het schilderij geen deel uitmaakte van een diptiek, waarvan de achterzijde doorgaans beschilderd was.24

16Een stratigrafische studie van de lijst heeft onthuld dat de vandaag zichtbare vergulding niet origineel is. Het gebeurt zelden dat op een lijst uit de vroegzestiende eeuw een originele vergulding wordt teruggevonden. De vergulding is van een goede kwaliteit en sluit mooi aan bij de vergulde achtergrond van het schilderij, die wel origineel is. Een minimale restauratie-ingreep werd uitgevoerd.

Grondering en ondertekening

  • 25 Rosier 2009, p. 173.
  • 26 Ibidem.

17De witte grondering, waarschijnlijk samengesteld uit een mengeling van krijt en dierlijke lijm, bedekt het gehele oppervlak van het paneel en de voorkant van de lijst, maar niet de zijkanten, noch de achterkant, net zoals bij de versie van Humbeek.25 De aanwezigheid van een isolatielaag op basis van loodwit, zoals op de versie van Humbeek,26 kan alleen met radiografisch onderzoek gedetecteerd worden. Dat is tot op heden nog niet uitgevoerd.

  • 27 De infraroodreflectografie-opnames zijn gemaakt met de Apollo Camera van Opus Instruments (InGaAs-s(...)

18Het onderzoek met infraroodreflectografie (IRR), uitgevoerd door Musea Brugge, leverde helaas weinig informatie op over de uitvoeringstechniek [afb. 5].27 Het maakte enkele donkere lijnen zichtbaar, wellicht in een vloeibaar medium, die doen vermoeden dat het zettingslijnen zijn die werden getrokken als referentiepunten bij het overzetten van de compositie. Ze zijn echter moeilijk te onderscheiden omdat ze zich deels onder dikke of donkere verflagen bevinden, die onvoldoende doordringbaar zijn met IRR. De afwezigheid van een duidelijk te herkennen ondertekening kan erop wijzen dat die gemaakt is met niet-koolstofhoudend materiaal, of dat de compositie geïnspireerd is op een andere geschilderde of getekende bron die de maker als voorbeeld bij de hand had op het moment dat hij het werk schilderde. Wij hebben echter geen enkel spoor van een mechanische reproductiemethode kunnen ontdekken.

[Afb. 5]

[Afb. 5]

Infraroodreflectografie-opname met de Apollo Camera van Opus Instruments (InGaAs-sensor) en bewerking in Adobe Photoshop door Guenevere Souffreau.

© Musea Brugge / Vlaams Onderzoekscentrum voor de Kunst in de Bourgondische Nederlanden.

  • 28 Henderiks 2011, p. 224, 226-227, afb. 196.
  • 29 Ibidem, p. 226.
  • 30 Ibidem, p. 226-227.
  • 31 Ibidem, p. 222-223.
  • 32 Rosier 2009, p. 173.

19Het atelier van Albrecht Bouts gebruikte verschillende reproductieprocedés, waarvan Valentine Henderiks in haar publicatie van 2011 een goed overzicht brengt. Bij sommige devotiewerken die in serie zijn geproduceerd naar een model, zijn duidelijk sporen te zien van het overzetten van de compositie met behulp van een doorgeprikte tekening, zoals een Christus met doornenkroon en een Mater dolorosa in het Metropolitan Museum of Art in New York, en een Mater dolorosa in een privécollectie in Londen. In het voorbeeld uit New York is de geponste tekening bij het schilderen niet helemaal gevolgd.28 In het Londense werk zijn de geponste stipjes herwerkt met een penseel en een wellicht vloeibaar medium, en soms met elkaar verbonden om contouren en plooien duidelijker weer te geven.29 Mogelijk was hier sprake van een verdeling van het werk, waarbij een helper de ponstekening maakte om de referentiepunten van de compositie over te zetten, die vervolgens al dan niet werd herwerkt of aangevuld in een vloeibaar medium door een andere kunstenaar, alvorens de verflaag werd aangebracht.30 Bij andere werken geproduceerd door het atelier van Albrecht Bouts verschafte de IRR-opname echter weinig duidelijkheid betreffende de ondertekening, en waren in de ondertekening slechts enkele summiere referentiepunten van de compositie te zien. Dat was bijvoorbeeld het geval bij een Christus met doornenkroon en Mater dolorosa uit het Musée du Louvre.31 Het feit dat er op de IRR-opname van het Brugse werk slechts summiere sporen van een ondertekening te zien zijn, past binnen de variatie van ondertekeningen die we elders in het œuvre van de werkplaats van Albrecht Bouts terugvinden. Op de versie van Humbeek, bijvoorbeeld, zijn ook slechts enkele sporen te zien, waarschijnlijk gezet in een droog material.32

De geschilderde laag

20De verwijdering van meerdere vergeelde vernislagen, resten van fixeerlijm, vuil en fixeerpapier aan de randen, overschilderingen en overlappende vullingen, onthulde schilderwerk van een onverwacht hoge kwaliteit.

  • 33 Ibidem. De informatie over de aanwezigheid van azuriet als onderlaag op de versie van Humbeek werd (...)

21Met het blote oog is een blauwe onderlaag te observeren voor de donkere oogkringen, de aderen, de wangen en de doornen op het voorhoofd. Op die plaatsen is onder de microscoop iets wat lijkt op grof gemalen azuriet herkenbaar. Deze techniek werd ook vastgesteld op de Christus van Humbeek.33 De penseelstreken zijn zeer fijn en erg gedetailleerd, zoals in de wimpers, tanden, haren, de doornen van de kroon en fijn weergegeven tranen en bloeddruppels. De tranen zijn uitgevoerd met een donkere omlijning en twee witte hoogsels van verschillende dichtheid: een meer gespreide die de contour volgt, en een tweede meer met puntjes en dikker. De bloeddruppels zijn veeleer in relief: een onderlaag, waarschijnlijk vermiljoen, bedekt met een donkerder glacis, met erbovenop een wit hoogsel [afb. 6]. De lippen en ogen zijn ook met behulp van een opeenvolging van lagen glacis geschilderd. De tanden zijn geaccentueerd door een doorlopende horizontale lijn en kruisende verticale lijntjes [afb. 7]. Net als in de Akense versie zijn de krullende haren in de baard bijna individueel weergegeven, afwisselend in lichte en donkere lijnen. De wenkbrauwen zijn op vergelijkbare wijze neergezet, in een reeks van korte streepjes, maar op een meer gestileerde wijze dan in de Akense versie. De irissen in het Brugse werk tonen lichte stralen rond de pupil, wat afwijkt van de Akense versie, maar overeenkomt met de versie in Humbeek. De ogen in het Brugse werk zijn echter genuanceerder uitgevoerd dan in de Humbeekse versie, waarbij de lijnen rond de ogen (de rode omranding, de donkere lijn boven het oog en de lichte lijn onder het oog) erg gestileerd zijn.

[Afb. 6]

[Afb. 6]

Detail van de bloeddruppels en tranen na behandeling.

© Laetitia Golenvaux.

[Afb. 7]

[Afb. 7]

Detail van de tanden na de behandeling.

© Laetitia Golenvaux.

22Hetzelfde rood als dat van de bloeddruppels werd gebruikt voor de purperen mantel van Christus, en bestaat uit verschillende lagen. Op een onderlaag van vermiljoen is het rode glacis aangebracht, waarop vermiljoenen strepen te observeren zijn. De doornenkroon is opgebouwd uit verschillende groene glacislagen, waarschijnlijk koperresinaat, op een groene onderlaag.

23Helaas kwamen na het verwijderen van de retouches en overschilderingen ook een aantal vormen van slijtage aan het licht, evenals lacunes, onder meer in het haar en in de mantel van Christus [afb. 8].

[Afb. 8]

[Afb. 8]

Vóór retouche.

© Laetitia Golenvaux.

De vergulde achtergrond

  • 34 Henderiks 2021, p. 122.
  • 35 Ibidem, p. 134.

24De belangrijkste ontdekking van de behandeling van het paneel betreft echter de gouden achtergrond. In hun schilderijen associeerden Van Eycks tijdgenoten en navolgers het gebruik van goud steeds met het goddelijke.34 Henderiks betoogt in haar artikel D’Or et de Dieu dat de gouden achtergrond geen archaïsche versiering was, maar een vernieuwing, die zijn oorsprong vond in het werk van Rogier van der Weyden en die de aanwezigheid van sacrale figuren in de reele wereld accentueert.35 Die combinatie van sacraliteit en realisme is ook aanwezig in de Christusportretten uit de werkplaats van Bouts, waaronder de Brugse Ecce Homo.

  • 36 Rosier 2009, p. 174.

25In dat schilderij is de versiering zorgvuldig en zeer gedetailleerd uitgewerkt. De achtergrond bestaat uit bladgoud bevestigd op een olieachtige laag of mixtion. Die laag was aangebracht op een okerkleurige verflaag, die op haar beurt op de grondering lag. In de grondlaag zijn motiefjes geponst in de vorm van kleine ronde puntjes. Of deze ponsmotieven een regelmatig patroon vormden (zoals op de versie van Humbeek)36 of willekeurig zijn aangebracht, is moeilijk te bepalen gezien de slechte bewaartoestand van de achtergrond [afb. 9].

[Afb. 9]

[Afb. 9]

Detail van de achtergrond en de rode punten voor retouche.

© Laetitia Golenvaux.

26Volgens Hélene Dubois werd het geheel na het ponsen wellicht bedekt met een laag rode glacisverf, die vervolgens is weggenomen. Doordat de glacisverf enkel achterbleef in de gaatjes van het ponsmotief ontstond een speciaal effect en lijken de punten in relief de achtergrond te doen vibreren. Bijna alle rode glacisverf in de punten is verdwenen, waarschijnlijk als gevolg van een te doorgedreven reiniging in het verleden. Onder de verflagen aan de randen van de kleurvlakken zijn nog een aantal rode punten te observeren [afb. 9].

  • 37 Ibidem.
  • 38 Henderiks 2011, p. 265
  • 39 Deze observatie werd gedeeld door Valentine Henderiks tijdens haar bezoek aan het restauratieatelie (...)

27Het effect van de achtergrond varieert bij de verschillende versies: de versie van Humbeek vertoont donkere punten (druppeltjes gekleurde lak die regelmatig aangebracht werden);37 de versie van Aken werd bedekt door rode punten in relief (kleine toetsen rode kleur, vergelijkbaar met druppels van verschillende dichtheid en onregelmatig maar behendig aangebracht);38 de versie van Ter Kameren vertoont een zwarte arcering geschilderd op het goud. Binnen de groep werken die in verband worden gebracht met het Akense prototype is het Brugse paneel het enige waarbij de decoratie op deze wijze – ponsen en rode lak – op de vergulde achtergrond is aangebracht. Vóór de recente behandeling en de verwijdering van de vergeelde vernislagen was het moeilijk om dit ingenieuze procedé te observeren. Het getuigt echter van een hoog kwalitatieve schilderkunst en van een zeer ontwikkeld picturaal onderzoek.39

  • 40 Henderiks 2021, p. 125.
  • 41 Rosier 2009, p.174

28In de devotiewerken uit het atelier van Albrecht Bouts tonen de met lijnen en stippen versierde gouden achtergronden, wanneer die nog bewaard zijn gebleven, vrijwel altijd de schaduw van de afgebeelde heilige figuren en van de omlijsting. Helaas konden door de staat van de achtergrond van de Brugse Christus geen sporen van schaduw onderscheiden worden.40 Het is mogelijk dat er ooit een schaduw was, maar dat die verdwenen is door een te ruwe reiniging van de vergulde achtergrond. De vergulding en haar versiering zijn aangebracht alvorens de schildering is uitgevoerd. De ruimte voor de figuur van Christus werd in de vergulde achtergrond uitgespaard, net zoals op het exemplaar van Humbeek.41 Verf in een uitgespaarde zone overlapt soms een ander kleurvlak. Op meerdere plaatsen, aan de overgangen tussen de vergulding en de kleurvlakken, langs de contouren van de centrale figuur en de rietstengel, is het bladgoud namelijk een beetje zichtbaar door de verflaag heen. Daar zijn de rode punten onder de verflagen ook goed bewaard en beter zichtbaar.

Conclusie

29Stilistisch gezien is de Ecce Homo uit de collectie van Musea Brugge grotendeels geïnspireerd op het door Albrecht Bouts geschilderde Akense model en vertoont het veel overeenkomsten met het eveneens op het Akense model geïnspireerde exemplaar uit de verzameling Lunden in Humbeek. Net zoals de Christus van Humbeek is de schildertechniek van de Christus van Brugge vergelijkbaar met die van Albrecht zelf, geerfd van zijn vader Dieric. We herkennen Albrechts karakteristieke manier om volume te creeren. Het licht aan de rand van de huid wordt gemarkeerd met een dunne lichte lijn, de uiteinden van de vingernagels zijn bedekt met een dunne donkere lijn, op het oppervlak van de rode stof zijn kleine grafische lijnen aangebracht en bij de vingergewrichten zitten kleine witte lijnen. Ook het gebruik van een blauwe onderlaag om de schaduwen en aderen onder de huid te suggereren is typisch. De uitvoering zelf van deze technieken verraadt echter een minder vaardig kunnen en ze zijn veeleer eenvoudig. Het Brugse paneel verschilt van de versie uit Aken door de zwevende linkerhand (net zoals op het schilderij van Humbeek), de weinig harmonische verhoudingen, de zeer stijve vingers en de vereenvoudiging van de drapering. Het feit dat de compositie zo nauw die van Aken volgt en het feit dat de schilder technieken van Albrecht Bouts gebruikte of probeerde na te bootsen, wijzen erop dat het werk zeer waarschijnlijk afkomstig is uit het atelier van Albrecht Bouts, en dat het vermoedelijk tijdens zijn leven uitgevoerd is door een van zijn medewerkers.

30Zoals eerder opgemerkt, liggen de versies van Musea Brugge en Humbeek binnen de groep rond het Akense prototype het dichtst bij elkaar. In vergelijking met de Humbeekse versie is het paneel van Musea Brugge echter subtieler uitgevoerd aan de mond, zijn de ogen meer uitgewerkt en is de achtergrond rijker versierd door het gebruik van ponsmotieven [afb. 10a en b]. Het gaat hier om twee verschillende handen. Het is dus waarschijnlijk dat de eerder besproken overeenkomsten in compositie tussen de versie van Musea Brugge en die van Humbeek ten opzichte van de andere panelen rond het Akense prototype verklaard kunnen worden door een gezamenlijk model dat aanwezig was in de werkplaats van Albrecht Bouts. Een andere mogelijkheid is dat een van deze twee versies diende als model voor de andere of dat de Brugse versie de Humbeekse voorging.

[Afb. 10]

[Afb. 10]

Vergelijking van het rechter oog van de versie van Brugge (a) met dat van de versie van Humbeek (b).

© Laetitia Golenvaux en Brussel, KIK, Y006713.

De auteurs willen graag de volgende personen bedanken voor hun waardevolle advies en hulp tijdens de restauratie, het onderzoek en het schrijven van dit artikel: Valentine Henderiks, Anne van Oosterwijk, Livia Depuydt, Françoise Rosier, Hélene Dubois, Guenevere Souffreau en Christina Currie.

Hoofding

Bibliografie

Comblen-Sonkes 1986 M. Comblen-Sonkes, Les Musées des Beaux-Arts de Dijon (Corpus des Primitifs flamands, 14), Brussel, 1986.

Deraeve 1970 J. Deraeve, Brugs privé-bezit (tent.cat. Brugge, 1970), Brussel, 1970.

Hand, Metzger en Spronk 2006 J.O. Hand, C.A. Metzger en R. Spronk, Prayers and Portraits. Unfolding the Netherlandish Diptych (tent.cat., Washington, National Gallery of Art, 12 nov. 2006-4 feb. 2007 I Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, 3 maart-27 mei 2007), Washington DC, 2006.

Henderiks 2009 V. Henderiks, De Ecce Homo uit de verzameling van Humbeek, een kunstwerk uit het atelier van Albrecht Bouts. Iconografische en stilistische studie /L’Ecce Homo de la collection Humbeek, une œuvre de l’atelier d’Albrecht Bouts. Étude iconographique et stylistique, in Bulletin van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium / Bulletin de l’Institut royal du Patrimoine artistique, 32, 2009, p. 163-172.

Henderiks 2011 V. Henderiks, Albrecht Bouts (1451/55-1549) (Bijdragen tot de Studie van de Vlaamse Primitieven, 10), Brussel, 2011.

Henderiks 2021 V. Henderiks, D’Or et de Dieu : Rogier van der Weyden et la révolution du fond doré dans la peinture au XVe siècle, in Annales de la Société royale d’Archéologie de Bruxelles, 37, 2021, p. 119-135.

Leuven 1975 Dirk Bouts en zijn tijd (tent.cat. Leuven, Sint-Pieterskerk), 1975.

Périer-DIeteren 2005 C. Périer-D’Ieteren, Dieric Bouts, Brussel, 2005.

Rosier 2009 F. Rosier, De Ecce Homo uit de verzameling van Humbeek, een kunstwerk uit het atelier van Albrecht Bouts. Technische observaties / L’Ecce Homo de la collection Humbeek, une œuvre de l’atelier d’Albrecht Bouts. Observations techniques, in Bulletin van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium / Bulletin de l’Institut royal du Patrimoine artistique, 32, 2009, p. 173-175.

Schöne 1938 W. Schöne, Dieric Bouts und seine Schule, Berlijn, 1938.

Van den Brink et al. 2016 P. van den Brink, D. Preising en M. Polfer, Blut und Tränen. Albrecht Bouts und das Antlitz der Passion (tent. cat., Luxemburg, Nationalmuseum für Geschichte und Kunst, 7 okt. 2016-12 feb. 2017 I Aken, Suermondt-Ludwig-Museum, 8 maart-11 juni 2017), Regensburg, 2016.

Hoofding

Noten

1 Valentine Henderiks besprak het paneel in haar uitgebreide studie over Albrecht Bouts in 2011. Eerder werd het opgenomen door Schöne 1938, nr. 107/9, Deraeve 1970, cat. 3, Leuven 1975, p. 301-302 en Comblen-Sonkes 1986, p. 62.

2 Mondelinge mededeling door pater Ghislain De Jaeger, najaar 2013.

3 Périer-D’Ieteren 2005, p. 23-24, 178; Henderiks 2011, p. 13.

4 Henderiks 2011, p. 13.

5 Ibidem, p. 13; Périer-D’Ieteren 2005, p. 178.

6 Henderiks 2011, p. 45-71.

7 Voor een uitgebreid overzicht en een diepgaande bespreking van de serieproductie van de private devotiewerken uit het atelier van Albrecht Bouts, zie Henderiks 2011, p. 209-344.

8 Ibidem, p. 216, 221, 235.

9 Ibidem, p. 209.

10 Ibidem, p. 209.

11 Ibidem, p. 238-239. Zie p. 240-289 voor een uitgebreide bespreking van elk van de prototypen.

12 Een vijfde compositie volgens Henderiks is er een van Christus die de stigmata toont, met het hoofd iets naar rechts gebogen. Deze compositie is bekend door een versie in het Musée national d’Histoire et d’Art van Luxemburg (met als pendant een Mater dolorosa). Volgens Henderiks is dit exemplaar niet een eigenhandig prototype, maar een kopie gemaakt door Albrecht zelf. Daarbij steunt ze op het feit dat de geschilderde laag ‘alle eigenheden van Albrechts trant’ vertoont, maar de zeer summiere ondertekening zou erop wijzen dat de meester naar een eigen model gewerkt heeft (Henderiks 2011, p. 259).

13 Hand, Metzger en Spronk 2006, p. 40-49, 279-280, 309; Henderiks 2011, p. 270, 276-277; Van den Brink et al. 2016, p. 112-115.

14 Henderiks 2011, p. 270-284, met name 270.

15 Van den Brink et al. 2016, p. 116-117.

16 Henderiks 2009, p. 169; Henderiks 2011, p. 270. De vergelijking van de Brugse Ecce Homo met de andere panelen uit de werkplaats van Albrecht Bouts gebeurde op basis van fotomateriaal en eerdere publicaties.

17 Henderiks 2009; Rosier 2009.

18 Henderiks 2009, p. 172.

19 Rosier 2009, p. 173.

20 Henderiks 2011, p. 218.

21 Rosier 2009, p. 173.

22 Henderiks 2011, p. 268.

23 Rosier 2009, p. 173.

24 Henderiks 2011, p. 218.

25 Rosier 2009, p. 173.

26 Ibidem.

27 De infraroodreflectografie-opnames zijn gemaakt met de Apollo Camera van Opus Instruments (InGaAs-sensor) door Guenevere Souffreau, Musea Brugge.

28 Henderiks 2011, p. 224, 226-227, afb. 196.

29 Ibidem, p. 226.

30 Ibidem, p. 226-227.

31 Ibidem, p. 222-223.

32 Rosier 2009, p. 173.

33 Ibidem. De informatie over de aanwezigheid van azuriet als onderlaag op de versie van Humbeek werd bevestigd door Jana Sanyova uit het laboratorium van het KIK. Om er zeker van te zijn dat op het Brugse werk ook azuriet gebruikt is, moet een pigmentanalyse uitgevoerd worden.

34 Henderiks 2021, p. 122.

35 Ibidem, p. 134.

36 Rosier 2009, p. 174.

37 Ibidem.

38 Henderiks 2011, p. 265

39 Deze observatie werd gedeeld door Valentine Henderiks tijdens haar bezoek aan het restauratieatelier van Laetitia Golenvaux tijdens behandeling van het paneel (13 september 2022).

40 Henderiks 2021, p. 125.

41 Rosier 2009, p.174

Hoofding

Illustratielijst

Titel [Afb. 1]
Opschrift Atelier van Albrecht Bouts, Ecce Homo, ca. 1500-1525, olieverf op paneel, 48 × 33,3 cm (Brugge, Musea Brugge, inv. 2022.GRO0001.I-BL). Na behandeling.
URL http://0-journals-openedition-org.catalogue.libraries.london.ac.uk/kikirpa/docannexe/image/553/img-1.jpg
Bestand image/jpeg, 709k
Titel [Afb. 2]
Opschrift Atelier van Albrecht Bouts, Ecce Homo, ca. 1500-1525, olieverf op paneel, 48 × 33,3 cm (Brugge, Musea Brugge, inv. 2022.GRO0001.I-BL). Voor behandeling.
URL http://0-journals-openedition-org.catalogue.libraries.london.ac.uk/kikirpa/docannexe/image/553/img-2.jpg
Bestand image/jpeg, 721k
Titel [Afb. 3]
Opschrift Albrecht Bouts, Ecce Homo, ca. 1500, olieverf op paneel, 45,5 × 31,2 cm (Aken, Suermondt-Ludwig-Museum, inv. GK 57). De Ecce Homo vormt, samen met een Mater dolorosa, nu het middendeel van een triptiek waarvan de zijluiken op een later moment zijn toegevoegd.
URL http://0-journals-openedition-org.catalogue.libraries.london.ac.uk/kikirpa/docannexe/image/553/img-3.jpg
Bestand image/jpeg, 720k
Titel [Afb. 4]
Opschrift Atelier van Albrecht Bouts, Ecce Homo, ca. 1500-1525, olieverf op paneel, 48,8 × 33,9 cm (Humbeek, verzameling Lunden).
URL http://0-journals-openedition-org.catalogue.libraries.london.ac.uk/kikirpa/docannexe/image/553/img-4.jpg
Bestand image/jpeg, 692k
Titel [Afb. 5]
Opschrift Infraroodreflectografie-opname met de Apollo Camera van Opus Instruments (InGaAs-sensor) en bewerking in Adobe Photoshop door Guenevere Souffreau.
Illustratierechten © Musea Brugge / Vlaams Onderzoekscentrum voor de Kunst in de Bourgondische Nederlanden.
URL http://0-journals-openedition-org.catalogue.libraries.london.ac.uk/kikirpa/docannexe/image/553/img-5.jpg
Bestand image/jpeg, 616k
Titel [Afb. 6]
Opschrift Detail van de bloeddruppels en tranen na behandeling.
Illustratierechten © Laetitia Golenvaux.
URL http://0-journals-openedition-org.catalogue.libraries.london.ac.uk/kikirpa/docannexe/image/553/img-6.jpg
Bestand image/jpeg, 555k
Titel [Afb. 7]
Opschrift Detail van de tanden na de behandeling.
Illustratierechten © Laetitia Golenvaux.
URL http://0-journals-openedition-org.catalogue.libraries.london.ac.uk/kikirpa/docannexe/image/553/img-7.jpg
Bestand image/jpeg, 267k
Titel [Afb. 8]
Opschrift Vóór retouche.
Illustratierechten © Laetitia Golenvaux.
URL http://0-journals-openedition-org.catalogue.libraries.london.ac.uk/kikirpa/docannexe/image/553/img-8.jpg
Bestand image/jpeg, 792k
Titel [Afb. 9]
Opschrift Detail van de achtergrond en de rode punten voor retouche.
Illustratierechten © Laetitia Golenvaux.
URL http://0-journals-openedition-org.catalogue.libraries.london.ac.uk/kikirpa/docannexe/image/553/img-9.jpg
Bestand image/jpeg, 900k
Titel [Afb. 10]
Opschrift Vergelijking van het rechter oog van de versie van Brugge (a) met dat van de versie van Humbeek (b).
Illustratierechten © Laetitia Golenvaux en Brussel, KIK, Y006713.
URL http://0-journals-openedition-org.catalogue.libraries.london.ac.uk/kikirpa/docannexe/image/553/img-10.jpg
Bestand image/jpeg, 199k
Hoofding

Om dit artikel te citeren

Referentie papier

Laetitia Golenvaux, Véronique Geniets en Marijn Everaarts, «Een Ecce Homo uit het atelier van Albrecht Bouts in de collectie van Musea Brugge»Bulletin de l’Institut royal du Patrimoine artistique / Bulletin Van Het Koninklijk Instituut Voor Het Kunstpatrimonium, 38 | 2023, 20-35.

Elektronische referentie

Laetitia Golenvaux, Véronique Geniets en Marijn Everaarts, «Een Ecce Homo uit het atelier van Albrecht Bouts in de collectie van Musea Brugge»Bulletin de l’Institut royal du Patrimoine artistique / Bulletin Van Het Koninklijk Instituut Voor Het Kunstpatrimonium [Online], 38 | 2023, Online op 01 septembre 2023, geraadpleegd op 24 mai 2024. URL: http://0-journals-openedition-org.catalogue.libraries.london.ac.uk/kikirpa/553; DOI: https://0-doi-org.catalogue.libraries.london.ac.uk/10.4000/kikirpa.553

Hoofding

Laetitia Golenvaux

Laetitia Golenvaux studeerde af aan de ENSAV La Cambre in 2007 en werd in 2013 door het Groeningemuseum (Vlaams Onderzoekscentrum voor de Kunst in de Bourgondische Nederlanden) aangeworven als hoofd van het restauratieatelier. Sinds 2021 werkt ze als freelancer voor Belgische instellingen zoals Musea Brugge, het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen, Stichting Jean van Caloen, en het Sint-Sebastiaansgilde in Brugge. Bij de restauratie van de Ecce Homo uit de collectie van Musea Brugge behandelde ze de picturale lagen van het werk.

Véronique Geniets

Véronique Geniets behaalde een licentiaatsdiploma Moderne Geschiedenis aan de KU Leuven en een Masterdiploma Conservatie-Restauratie gepolychromeerde beeldhouwwerken aan de ENSAV La Cambre. Na haar studies vervolmaakte ze een stage in het atelier Gepolychromeerde houten beeldhouwwerken van het KIK. Sinds 2011 werkt ze als freelancer voor diverse instituten (het KIK, musea, kerkfabrieken) en privéklanten. Samen met Laetitia Golenvaux voerde ze de restauratie uit van de Ecce Homo uit de collectie van Musea Brugge. Ze behandelde de drager en de lijst.

Marijn Everaarts

Marijn Everaarts is kunsthistorica en werkt bij Musea Brugge als projectcoördinator bij de herinrichting van het Museum Sint-Janshospitaal. Daarvoor werkte ze mee aan de tentoonstelling ‘Oog in oog met de Dood. Hugo van der Goes, oude meesters, nieuwe blikken’ (28 oktober 2022 – 5 februari 2023), en werkte ze bij het Mauritshuis, CODART en het RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis. Ze studeerde Liberal Arts & Sciences aan het University College Roosevelt (Middelburg), en vervolgens Kusntgeschiedenis aan het Warburg Institute (Londen) en de Universiteit van Amsterdam.

Hoofding

Auteursrechten

CC-BY-4.0

The text only may be used under licence CC BY 4.0. All other elements (illustrations, imported files) are “All rights reserved”, unless otherwise stated.

Hoofding
Search OpenEdition Search

You will be redirected to OpenEdition Search